Onderzoeken bij de man

Tijdens de eerste consultatie in het CRG zal de arts op basis van een vraaggesprek proberen uit te maken welke onderzoeken nodig zijn.

Wat jij kan doen om die consultatie zo efficiënt mogelijk te laten verlopen?

  • Download de vragenlijst en breng ze ingevuld mee (voor paren zowel vragenlijst vrouw als vragenlijst man); en
  • breng de resultaten van eventuele reeds uitgevoerde onderzoeken mee.

Welke informatie vind je hier?
  • In het overzicht: een opsomming van alle onderzoeken die het CRG uitvoert of kan (laten) uitvoeren in het kader van je vruchtbaarheidsbehandeling;
  • in "zoeken naar de oorzaak" meer duiding over het waarom van de onderzoeken; en
  • in de pagina's erna uitleg over elk specifiek onderzoek.

Genetisch onderzoek

Basis genetica
Indicaties
Soorten tests

Genetische onderzoeken worden uitgevoerd op bloed of op sperma: voor de meeste tests moet je een bloedstaaltje afleveren (zie praktisch) afleveren,
in één geval een spermastaaltje (zie praktisch).
Het bloed- of spermastaaltje wordt voor analyse doorgestuurd naar het laboratorium van het Centrum voor Medische Genetica (CMG) van UZ Brussel. Het CMG bezorgt de resultaten van de tests aan het CRG, waar ze op consultatie bij de arts met jou/jullie worden besproken.

Basis genetica  

Belangrijk om te weten

Onze voortplantingscellen gedragen zich anders dan de andere cellen van ons lichaam:

  • de laatste ontstaan via 'gewone' celdeling (mitose),
  • de eerste ondergaan een complexe reductiedeling, waarbij ze de helft van de chromosomen van de lichaamscellen overhouden.
    In dat proces kunnen specifieke delingsfouten ontstaan, die daarom alleen in de voortplantingscellen te traceren zijn.

Elke mens is opgebouwd uit verschillende weefsels die organen vormen en die zelf bestaan uit verschillende cellen. Binnen een weefsel heeft elke cel zijn specifieke functie. Om correct te functioneren heeft elke cel een aantal boeken met instructies aan boord. Die 'receptenboeken' noemen we de chromosomen, de 'recepten' die ze bevatten de genen. Chromosomen zijn dus de dragers van onze genetische informatie, en opgebouwd uit DNA.
De meeste gezonde mensen hebben 46 chromosomen, namelijk 23 paren. Er zijn 22 paar gewone en één paar zogenaamde geslachtschromosomen. De gewone paren worden gerangschikt naar grootte en dan genummerd van 1 tot en met 22. Het 23ste paar, de geslachtschromosomen, is XY bij de man en XX bij de vrouw.

Indicaties  

Vroeger werd een genetisch onderzoek standaard opgenomen in de bloedanalyse van patiënten. De ervaring heeft echter uitgewezen dat dat weinig zin heeft. Daarom wordt het nu enkel nog uitgevoerd als er in je familie erfelijke afwijkingen voorkomen, en bij bepaalde andere indicaties:
  • specifiek bij de man kan een te laag aantal zaadcellen in het ejaculaat de reden zijn om een genetisch onderzoek uit te voeren. Als je minder dan vijf miljoen zaadcellen per milliliter hebt, wordt in vijf procent van de gevallen (1 op 20) een genetische oorzaak gevonden;
  • ook als je als zaaddonor wil optreden, word je genetisch onderzocht. In elk geval word je karyotype bepaald;
  • bij paren zijn de volgende situaties aanleiding om een genetisch onderzoek te doen bij beide partners:

Soorten tests  

We onderscheiden twee soorten genetische tests: cytogenetische (naar de chromosomen als entiteit) en moleculaire (op het DNA waaruit de chromosomen zijn opgebouwd).

Cytogenetische tests  

Voor een cytogenetische test worden witte bloedcellen (lymfocyten) in een kweekvloeistof gebracht. In een welbepaalde fase van de celdeling - vandaar de naam cytogenetisch - condenseren de lymfocyten hun genetische dragers tot visualiseerbare structuren, de chromosomen: op dat moment kunnen we zien hoeveel en welke chromosomen er zijn en of ze er normaal uitzien.

Karyotypebepaling

De cytogenetische test leidt tot je karyotypebepaling. Karyotype betekent letterlijk 'het karakter van de chromosomen': aantal, lengte en genetische invulling. De samenstelling van je genetische identiteitskaart, zeg maar.
  • De test kan worden uitgevoerd bij mannen met een sterk verminderde zaadproductie (minder dan vijf miljoen zaadcellen per milliliter ejaculaat), om de mogelijke oorzaak daarvan op te sporen. Een voorbeeld van zo'n genetische afwijking is het Klinefeltersyndroom.
  • Daarnaast is het een standaardtest voor mannen die als zaaddonor willen optreden. Via analyse van het bloedstaaltje wordt niet alleen de bloedgroep en rhesusfactor bepaald, maar worden ook de uiterlijke kenmerken in kaart gebracht: kleur van haar en ogen, huidskleur, gestalte, ...
Bij gebruik van donorsperma wordt er immers voor gezorgd dat de donor qua bloedgroep en uiterlijk zoveel mogelijk bij het acceptorpaar past.

FISH-analyse

Zoals hiervoor gezegd gedragen onze voortplantingscellen zich anders dan de andere cellen van ons lichaam. Tijdens de complexe reductiedeling die ze ondergaan kunnen specifieke 'delingsfouten' ontstaan.
Vandaar dat een gespecialiseerde test werd ontwikkeld - FISH staat voor fluorescentie in-situ hybridisatie - waarmee een beperkte chromosoomanalyse gemaakt kan worden van zaadcellen: bij wijze van steekproef worden een drietal chromosomen onderzocht. De test wordt evenwel slechts zelden uitgevoerd, uitsluitend in het kader van onderzoek en op basis van bepaalde indicaties, bv. als er veel abnormale embryo's ontstaan uit de IVF-bevruchting van een paar.

DNA-onderzoek  

Moleculaire tests zoeken een niveau dieper, in de DNA-structuur van de chromosomen, naar welke chromosomen een mutatie of deletie van genen vertonen. De vraag hier is dus: waar zit een fout in het recept of waar ontbreekt een stuk informatie? Dat soort onderzoek is maar voor een beperkt aantal chromosomen en genen mogelijk.

CFTR-gen (mucoviscidosegen)

Eén op twintig Belgen is drager of draagster van het mucoviscidose- of CFTR-gen (Cystic Fibrosis Transmembrane Regulator gene). Als beide partners drager zijn, heeft de baby 25% kans om mucoviscidose (taaislijmziekte) te ontwikkelen, een ernstige longziekte waarbij abnormaal veel slijm wordt afgescheiden.
Deze DNA-test wordt uitgevoerd bij mannen van wie een familielid aan mucoviscidose lijdt en bij mannen die azoöspermie vertonen als gevolg van een aangeboren afwezigheid van de zaadleiders. Tachtig procent van hen zijn immers dragers van het mucoviscidosegen.

Yq-microdeletietest

Ook deze DNA-est dient om uit te maken of een genetisch defect aan de basis ligt van een te lage productie zaadcellen (minder dan vijf miljoen per milliliter sperma). Op het Y-chromosoom zitten twee types recepten: die om een man tot een man te maken, en - op de q-arm van het chromosoom - die om de zaadproductie te regelen. Bij vijf procent van de mannen die zeer weinig zaadcellen aanmaken, ontbreken één of meerdere recepten op de q-arm van het Y-chromosoom (vandaar de naam van de test). Als een man met dit probleem een zoon krijgt, dan zal die zoon het probleem erven.
De meeste gezonde mensen hebben 46 chromosomen, of 23 paren. Het paar geslachtschromosomen is XX bij de vrouw en XY bij de man.
Mannen met het zogenaamde Klinefelter-syndroom hebben echter een extra X-chromosoom. In hun cellen zitten dus 47 chromosomen i.p.v 46. Vandaar dat het Klinefeltersyndroom ook het 47-XXY-syndroom wordt genoemd.
Het komt relatief frequent voor, bij ongeveer één op 500 mannen. De Amerikaanse arts Harry Klinefelter beschreef in het begin van de jaren 1940 voor het eerst de combinatie van een aantal typische kenmerken waarvan men later ontdekte dat ze een gevolg waren van het 47-XXY genetisch patroon.
Zie ook de Klinefelterkliniek van UZ Brussel of download de folder.

Het Klinefeltersyndroom is een aangeboren afwijking met de volgende symptomen:
  • er wordt onvoldoende mannelijk hormoon (testosteron) aangemaakt, waardoor de puberteit langzamer op gang komt; geringe of volledig afwezige baardgroei;
  • enige borstvorming;
  • een wat grotere lichaamslengte en langere armen.

Het belangrijkste symptoom echter is onvruchtbaarheid.
Vaak wordt het Klinefeltersyndroom pas vastgesteld in het kader van een vruchtbaarheidsonderzoek. Hoewel er uitzonderlijk Klinefeltermannen zijn die kinderen hebben gekregen, is onvruchtbaarheid de regel, en wel door vanwege de afwezigheid van zaadcellen in het zaadstaal.

Is voortplanting mogelijk?
Onderzoek heeft uitgewezen dat bij jonge volwassen mannen met Klinefelter soms nog enkele zaadcellen in het spermastaaltje aanwezig zijn. Maar doordat de zaadvormende cellen in de zaadbal stilaan verloren gaan, zullen dat er steeds minder worden, of zullen er zelfs nooit zaadcellen in het spermastaaltje aangetroffen worden.
In het CRG hebben we intussen vastgesteld dat bij ongeveer de helft van de mannen met Klinefelter ook op volwassen leeftijd nog zaadcellen aanwezig zijn, maar dan enkel in de zaadbal.
Na afname (onder algemene verdoving) van kleine weefselstukjes uit die zaadbal (zie TESE) kunnen de zaadcellen mogelijk gebruikt worden bij een IVF-behandeling met ICSI (de injectie van één spermacel in de eicel).

Mannen die onvruchtbaar zijn door het Klinefeltersyndroom hebben dus soms nog een kleine kans om een kind te verwekken met hun eigen zaadcellen.
Let wel
  • Slechts bij de helft van de mannen kunnen zaadcellen gevonden worden. Als ze gevonden worden, is dat pas een eerste stap op weg naar een mogelijke zwangerschap.
  • De tweede stap bestaat erin om met de verzamelde zaadcellen via ICSI eicellen van de partner te bevruchten.
  • Als hieruit embryo's ontstaan, bestaat de kans dat die een afwijkend chromosomenaantal hebben. Daarom worden de embryo's best genetisch nagekeken voor ze bij de vrouw worden teruggeplaatst (derde stap).
    Zo'n genetische embryocontrole noemt men pre-implantatie genetische diagnose of PGD.
  • Tot slot is de kans dat na de IVF|ICSI-behandeling een succesvolle zwangerschap optreedt des te groter naarmate de vrouw jonger is. De leeftijd van de vrouw is zeer bepalend bij MBV-behandelingen.

Testosteronbehandeling
Aangezien mannen met het Klinefeltersyndroom zeer weinig mannelijk hormoon aanmaken, is het raadzaam om hen testosteron toe te dienen (zie hormoonbehandelingen), onder andere om botontkalking tegen te gaan.
Maar dat kan alleen gebeuren nadat voldaan is aan de kinderwens, omdat de toediening van extra mannelijk hormoon elke mogelijke productie van zaadcellen zal onderdrukken. Met andere woorden: de kans om zaadcellen te verzamelen via TESE wordt door de toediening van mannelijk hormoon tenietgedaan.