Onderzoeken naar onvruchtbaarheid

In dit deel van de site schetsen we de brede context van geassisteerde bevruchting:

  • hoe wordt een mens zwanger in een natuurlijke voortplantingscyclus? 
  • wat is verminderde vruchtbaarheid precies?  
  • welke onderzoeken kunnen we in het CRG doen om naar mogelijke oorzaken te zoeken?
            

Onderzoeken bij de man

Tijdens de eerste consultatie in het CRG zal de arts op basis van een vraaggesprek proberen uit te maken welke onderzoeken nodig zijn.

Wat jij kan doen om die consultatie zo efficiënt mogelijk te laten verlopen?
  • Download de vragenlijst en breng ze ingevuld mee (voor paren zowel vragenlijst vrouw als vragenlijst man); en
  • breng de resultaten van eventuele reeds uitgevoerde onderzoeken mee.

Welke informatie vind je hier?
  • In het overzicht: een opsomming van alle onderzoeken die het CRG uitvoert of kan (laten) uitvoeren in het kader van je vruchtbaarheidsbehandeling;
  • in "zoeken naar de oorzaak" meer duiding over het waarom van de onderzoeken; en
  • in de pagina's erna uitleg over elk specifiek onderzoek.

Courante onderzoeken
Anamnese (medische voorgeschiedenis)
consultatie
Fysiek onderzoek consultatie
Routine zaadanalyse
spermastaaltje | in labo
Hormonaal profiel bloedprik | in labo
Testen op basis van specifieke indicaties
Biochemische zaadmerkers (fructose en alpha-glucosidase)
spermastaaltje | in labo
Hypo-osmotische zwellingtest (HOS-test) spermastaaltje | in labo
Mixed anti-globulin reactietest (MAR-test) spermastaaltje | in labo
Tray-agglutination-test (TAT) bloedprik | in labo
Cytogenetische testing bloedprik | in labo
Microdeletie testing bloedprik | in labo
CFTR-genmutatietest (mucoviscidose-gen) bloedprik | in labo
Transrectale echografie (TRUS) - dienst urologie beeld |ambulant
Scrotale echografie - dienst urologie beeld |ambulant
Testisbiopsie dagopname
Testisaspiratie ambulant of dagopname
Testen in het kader van onderzoek
Overlevingstest van de zaadcellen
spermastaaltje | in labo
FISH-analyse op spermatozoa spermastaaltje | in labo
Electronenmicroscopie spermastaaltje | in labo

Bloedonderzoek

Elke vruchtbaarheidsbehandeling wordt ook bij de man voorafgegaan door een voorbereidend bloedonderzoek (zie praktisch) om:
  • een gedetailleerde hormonenbalans op te stellen;
  • het aantal en de structuur van de chromosomen te controleren; en
  • mogelijke antilichamen op te sporen (infectie-onderzoek) tegen o.a. geelzucht (hepatitis B en C), syfilis, het HIV-virus (aids) en zaadcellen.

Mannelijke onvruchtbaarheid kan verschillende oorzaken hebben.

Pre-testiculaire oorzaken

Dat houdt in dat er stoornissen zijn in de hormonale impuls die van de hersens moet komen of in de werking van de bijnier, die ook een hormonale rol speelt.
Eén voorbeeld is het 'Kallmansyndroom': in de hypothalamus ontbreken bepaalde structuren, waardoor er geen GnRH-afscheiding is. Mannen die aan dat syndroom lijden, hebben ook geen reukzin.

Testiculaire oorzaken
Het probleem situeert zich ter hoogte van zaadbal (testis), waar de zaadcellen geproduceerd worden.
De stoornis kan zijn ontstaan - al dan niet door genetische factoren - tijdens de ontwikkeling van de testes of in een latere fase. Dat laatste noemen we 'verworven' afwijkingen (bv. spataders).
    Post-testiculaire oorzaken, ‘voorbij’ de zaadbal
    Deze problemen kunnen:
    • 'organisch' zijn, bv. obstructies in de bijbal of in het traject van de zaadleiders, en al dan niet genetisch:
      • een niet-genetisch voorbeeld is ondoorgankelijkheid van de bijbal na een infectie;
      • een voorbeeld van een genetische afwijking is de aangeboren afwezigheid van zaadleiders.
    • maar ze kunnen ook 'functioneel' zijn. Daar is impotentie een voorbeeld van.

    Andere oorzaken
    Bv. infectieus of immunologisch. In het laatste geval kan de man antilichamen aanmaken tegen zijn eigen zaadcellen. Voor het eerste zie bv. SOA's en onvruchtbaarheid.
    (On)vruchtbaar?
    Normozoöspermie
    Azoöspermie
    Vanaf 5 miljoen (en minder) zaadcellen per ml. is er sprake van een sterk verminderde vruchtbaarheid bij de man. Zie de zaadkwaliteit.
    Ejaculaat van minstens 2 ml. met minstens 20 miljoen zaadcellen per ml. of een totaal van 40 miljoen zaadcellen, waarvan meer dan 50% goed beweeglijk en meer dan 30 % normaal van vorm.
    Afwezigheid van zaadcellen in het ejaculaat.

    Tijdens het voortraject van je behandeling kom je in het CRG op consultatie bij een arts die gespecialiseerd in de vruchtbaarheidsgeneeskunde. De consultatie bestaat uit een anamnese en mogelijk een fysiek onderzoek.

    Voorbereiding op de consultatie 

    Om de eerste consultatie in het CRG efficiënt te laten verlopen, vragen we je
    • om vooraf een uitgebreide vragenlijst in te vullen. Je kan die hier downloaden;
    • als je al een bepaald medisch traject afgelegd hebt (bv. bij de uroloog), je medisch dossier mee te brengen; en
    • zeker alle resultaten van reeds uitgevoerde onderzoeken mee te brengen.
    Als je dat liever niet zelf doet,  kan je je medisch dossier laten opvragen door de CRG-arts.


    De anamnese

    Dit medische vraaggesprek dient om alle relevante informatie te verzamelen over je medische voorgeschiedenis en je huidige fysieke en gezondheidsconditie.
    Veel vragen die de arts je stelt, gaan over intieme zaken. Die informatie hebben we nu eenmaal nodig om een antwoord te vinden op het waarom van jullie (misschien schijnbare) onvruchtbaarheid.
    Hieronder enkele zaken die de arts van jullie beiden wil weten:
    • of een van jullie beiden in een vorige relatie al een kind heeft gehad;
    • hoe lang de (huidige) kinderwens al bestaat zonder dat die is vervuld;
    • de leeftijd van de vrouw;
    • of je op geregelde basis seks hebt met penetratie en ejaculatie (coïtus);
    • met welke frequentie je coïtus hebt; op welke tijdstippen in de cyclus van de vrouw;
    • welke problemen je in verband daarmee eventueel hebt;
    • welk soort anticonceptie je hebt gebruikt en wat je ervaringen daarmee zijn;
    • welke ingrepen je vroeger hebt ondergaan;
    • wat je eet, drink en leefgewoonten zijn;
    • de medische geschiedenis van je familie. Die vragen worden gesteld om eventuele erfelijke aandoeningen te detecteren. Op de eerste consultatie in het CRG probeert de behandelende arts via 'anamnese' een volledig beeld te krijgen van je algemene fysieke en gezondheidstoestand en je medische geschiedenis. Voor zover dat nog niet gebeurd is bij een andere arts volgt dan een fysiek onderzoek.

    Fysiek onderzoek  

    De anamnese kan gevold worden door een fysiek onderzoek, tenzij dat al gebeurde bij een andere arts.
    Bij een man houdt een fysiek onderzoek onder meer in:

    • kijken of de penis normaal is;
    • of beide zaadballen ingedaald zijn, normaal van grootte zijn en geen zwellingen vertonen;
    • de vorm van je geslachtsorganen wordt bekeken;
    • er wordt gevoeld of de zaadleiders aanwezig zijn en of ze niet opgezet zijn;
    • van de bijbal wordt nagegaan of hij (volledig) aanwezig is en zo ja,
    • of hij niet verhard is of geen kleine cystes vertoont.

    Als daar reden toe is kan het fysieke onderzoek uitgebreid worden met een rectaal prostaatonderzoek, maar dat komt eerder zelden voor.



    Routinezaadanalyse                
    Andere

    De spermatesten dienen om uit te maken hoe het gesteld is met je zaadproductie en zaadkwaliteit. Ze zijn gebaseerd op de analyse van een spermastaaltje en worden uitgevoerd in het laboratorium andrologie.

    Het spermastaaltje kan je ter plaatse produceren (in een apart kamertje in het CRG) of meebrengen van huis (zie praktisch). In dat laatste geval is het cruciaal voor de betrouwbaarheid van de testresultaten dat je het staaltje binnen het uur op het laboratorium afgeeft en in de tussentijd op lichaamstemperatuur bewaart. Het is ook belangrijk dat je het volledige ejaculaat opvangt. Als dat niet gelukt zou zijn, moet je dat melden.
    De arts van het CRG zal de resultaten van de tests tijdens de consultatie met jou bespreken.

    Routinezaadanalyse   

    Dit sperma-onderzoek behoort tot de 'routine', d.w.z. dat het wordt uitgevoerd voor elke man die in het CRG op consultatie komt voor een vruchtbaarheidsprobleem.
    Het onderzoek verloopt volgens de strikte methodologie van het WHO,
    met standaard voorwaarden voor het opvangen van het ejaculaat, de aflevering ervan in het laboratorium en de daar te volgen procedure. 
    Zie ook de zaadkwaliteit voor de parameters waaraan een 'normaal vruchtbaar zaadstaal' volgens de WHO-normen moet voldoen.

    Wat levert het routinezaadonderzoek op?
    • Een bepaling van het aantal zaadcellen in het ejaculaat (de concentratie).
    • Een beweeglijkheidsanalyse van de zaadcellen (de mobiliteit).
      Die twee bepalingen gebeuren in de telkamer.
    • Via een uitstrijkje worden de vorm en het uitzicht van de zaadcellen geëvalueerd.
    • Ook de vitaliteit van de zaadcellen wordt gecheckt: hoeveel procent levende zaadcellen bevat het staaltje? Niet alle onbeweeglijke zaadcellen zijn ook dode zaadcellen.
    • Verder is het volume van het ejaculaat is belangrijk, met twee milliliter als minimum.
    • Daarnaast wordt de zuurtegraad van het staaltje gemeten (pH) en wordt de consistentie (viscositeit) ervan beoordeeld.
    • Het aantal witte bloedcellen wordt bepaald (peroxidasetest): een te grote aanwezigheid kan wijzen op een infectie. In dat laatste geval wordt het semen in cultuur gebracht om de infectie op te sporen en eventueel medicatie voorgeschreven om ze te remediëren.

    Andere tests

    Biochemische zaadmerkers (fructose en alfa-glucosidase)   
    Deze test wordt gebruikt om bij azoöspermie na te gaan waarom het zaadvocht geen zaadcellen bevat. Dat hoeft immers niet te betekenen dat er geen aangemaakt of gerijpt zijn, ze kunnen onderweg zijn tegengehouden: ofwel ter hoogte van de zaadblaasjes en prostaat, waar het zaadvocht wordt aangemaakt; ofwel op weg daarheen, in de bijbal of de zaadleiders.
    De test is gebaseerd op de wetenschap dat semen biochemische en voedingsstoffen bevat of meekrijgt: alfa-glucosidase vanaf de bijbal; fructose tijdens de passage door de zaadblaasjes. Door het gehalte van elke stof in het zaadvocht meten, kan het laboratorium mee helpen bepalen waar zich mogelijk een verstopping voordoet.

    Capacitatietest    
    In het kader van een fertiliteitsbehandeling wordt bij het zaadonderzoek vaak een test gedaan om na te gaan in hoeverre het mogelijk is om uit het zaadstaal die zaadcellen af te zonderen met de beste beweeglijkheid.

    Elektronenmicroscopie   
    Soms moet een onderzoek met de elektronenmicroscoop gebeuren om uitsluitsel te kunnen geven over een bepaald fenomeen. Dat is bijvoorbeeld het geval als een zaadstaal alleen onbeweeglijke zaadcellen bevat, maar wel allemaal levende. Mogelijk is dat een indicatie voor het (zeer zeldzame) 'carthagenersyndroom', waarbij de staarten van de zaadcellen niet kunnen bewegen. Alleen een elektronenmicroscoop kan de oneindig kleine structuren die voor beweging zorgen zichtbaar maken.

    Fish-analyse op spermatozoa   
    Met deze gespecialiseerde test (FISH staat voor fluorescentie in-situ hybridisatie) wordt een beperkte chromosoomanalyse gemaakt van de zaadcellen: bij wijze van steekproef worden een drietal chromosomen aan een minutieuze analyse onderworpen. De test gebeurt louter in het kader van onderzoek en op basis van bepaalde indicaties, bv. als er veel abnormale embryo's ontstaan uit de IVF-bevruchting van een paar.

    Hypo-osmotische zwellingstest (HOS-TEST)    
    De HOS-test is een gespecialiseerde vitaliteitstest die moet uitmaken of de onbeweeglijke zaadcellen in een ejaculaat ook dode zaadcellen zijn. Hij wordt uitgevoerd als het zaadvocht oneigenlijk veel onbeweeglijke cellen bevat, meestal louter voor onderzoeksredenen, soms ook op basis van klinische indicaties. Door de zaadcellen in een preparaat te brengen dat arm aan moleculen is, gaan ze zwellen en ontzwellen. Door dat preparaat met eosine (een rode ontsmettingsstof) te kleuren, zie je welke zaadcellen het vocht opnemen en welke ze afstoten (dus niet rood kleuren). Die laatste zijn de vitale, levende zaadcellen.

    Overlevingstest van de zaadcellen   
    Deze test - die louter met het oog op onderzoek gebeurt - vormt een aanvulling op de vitaliteitsanalyse van het routinezaadonderzoek. De zaadcellen worden in een vloeistof gebracht om te evalueren hoe lang ze blijven leven.

    MAR-test   
    De Mixed Anti-globulin Reactietest hoort in principe bij de routinezaadanalyse, maar wordt toch niet altijd in de routine opgenomen. Hij dient om na te gaan of de man geen antilichamen aanmaakt tegen zijn eigen zaadcellen (zie immunologisch onderzoek).
    Elk hormonaal onderzoek is een bloedonderzoek. Daarvoor moet je een bloedstaaltje laten afnemen (zie praktisch). Omgekeerd: niet elk bloedonderzoek dient hormonale doeleinden: soms wordt het bloedstaaltje gebruikt voor immunologische of genetische tests.

    Hormonaal profiel

    Het standaardonderzoek bij je eerste consultatie in het CRG is debepaling van je hormonaal profiel, voor zover dat nog niet elders isgebeurd. Daarmee proberen we tot een goede inschatting te komen van de zaadproductie ter hoogte van de zaadbal.
    Meer bepaald wordt het FSH-hormoon gemeten, dat als barometer geldt voor het functioneren van de testis:
    • een hoog FSH-gehalte gaat vaak samen met een slechte functie. De geslachtsorganen krijgen vanuit de hypofyse immers het signaal dat hun productie testosteron, het mannelijk hormoon dat onder meer afgescheiden wordt door de zaadcellen, nog op peil is.
    • een extreem laag FSH-gehalte is evenmin goed, want dan is het signaal voor de productie-opstart gewoon te zwak.
    In sommige gevallen wordt ook op prolactine getest: Dit 'stresshormoon' kan bij de man erectiestoornissen veroorzaken.

    Basis genetica
    Indicaties
    Soorten tests

    Genetische onderzoeken worden uitgevoerd op bloed of op sperma: voor de meeste tests moet je een bloedstaaltje afleveren (zie praktisch) afleveren,
    in één geval een spermastaaltje (zie praktisch).
    Het bloed- of spermastaaltje wordt voor analyse doorgestuurd naar het laboratorium van het Centrum voor Medische Genetica (CMG) van UZ Brussel. Het CMG bezorgt de resultaten van de tests aan het CRG, waar ze op consultatie bij de arts met jou/jullie worden besproken.

    Basis genetica  

    Belangrijk om te weten

    Onze voortplantingscellen gedragen zich anders dan de andere cellen van ons lichaam:

    • de laatste ontstaan via 'gewone' celdeling (mitose),
    • de eerste ondergaan een complexe reductiedeling, waarbij ze de helft van de chromosomen van de lichaamscellen overhouden.
      In dat proces kunnen specifieke delingsfouten ontstaan, die daarom alleen in de voortplantingscellen te traceren zijn.

    Elke mens is opgebouwd uit verschillende weefsels die organen vormen en die zelf bestaan uit verschillende cellen. Binnen een weefsel heeft elke cel zijn specifieke functie. Om correct te functioneren heeft elke cel een aantal boeken met instructies aan boord. Die 'receptenboeken' noemen we de chromosomen, de 'recepten' die ze bevatten de genen. Chromosomen zijn dus de dragers van onze genetische informatie, en opgebouwd uit DNA.
    De meeste gezonde mensen hebben 46 chromosomen, namelijk 23 paren. Er zijn 22 paar gewone en één paar zogenaamde geslachtschromosomen. De gewone paren worden gerangschikt naar grootte en dan genummerd van 1 tot en met 22. Het 23ste paar, de geslachtschromosomen, is XY bij de man en XX bij de vrouw.

    Indicaties  

    Vroeger werd een genetisch onderzoek standaard opgenomen in de bloedanalyse van patiënten. De ervaring heeft echter uitgewezen dat dat weinig zin heeft. Daarom wordt het nu enkel nog uitgevoerd als er in je familie erfelijke afwijkingen voorkomen, en bij bepaalde andere indicaties:
    • specifiek bij de man kan een te laag aantal zaadcellen in het ejaculaat de reden zijn om een genetisch onderzoek uit te voeren. Als je minder dan vijf miljoen zaadcellen per milliliter hebt, wordt in vijf procent van de gevallen (1 op 20) een genetische oorzaak gevonden;
    • ook als je als zaaddonor wil optreden, word je genetisch onderzocht. In elk geval word je karyotype bepaald;
    • bij paren zijn de volgende situaties aanleiding om een genetisch onderzoek te doen bij beide partners:

    Soorten tests  

    We onderscheiden twee soorten genetische tests: cytogenetische (naar de chromosomen als entiteit) en moleculaire (op het DNA waaruit de chromosomen zijn opgebouwd).

    Cytogenetische tests  

    Voor een cytogenetische test worden witte bloedcellen (lymfocyten) in een kweekvloeistof gebracht. In een welbepaalde fase van de celdeling - vandaar de naam cytogenetisch - condenseren de lymfocyten hun genetische dragers tot visualiseerbare structuren, de chromosomen: op dat moment kunnen we zien hoeveel en welke chromosomen er zijn en of ze er normaal uitzien.

    Karyotypebepaling

    De cytogenetische test leidt tot je karyotypebepaling. Karyotype betekent letterlijk 'het karakter van de chromosomen': aantal, lengte en genetische invulling. De samenstelling van je genetische identiteitskaart, zeg maar.
    • De test kan worden uitgevoerd bij mannen met een sterk verminderde zaadproductie (minder dan vijf miljoen zaadcellen per milliliter ejaculaat), om de mogelijke oorzaak daarvan op te sporen. Een voorbeeld van zo'n genetische afwijking is het Klinefeltersyndroom.
    • Daarnaast is het een standaardtest voor mannen die als zaaddonor willen optreden. Via analyse van het bloedstaaltje wordt niet alleen de bloedgroep en rhesusfactor bepaald, maar worden ook de uiterlijke kenmerken in kaart gebracht: kleur van haar en ogen, huidskleur, gestalte, ...
    Bij gebruik van donorsperma wordt er immers voor gezorgd dat de donor qua bloedgroep en uiterlijk zoveel mogelijk bij het acceptorpaar past.

    FISH-analyse

    Zoals hiervoor gezegd gedragen onze voortplantingscellen zich anders dan de andere cellen van ons lichaam. Tijdens de complexe reductiedeling die ze ondergaan kunnen specifieke 'delingsfouten' ontstaan.
    Vandaar dat een gespecialiseerde test werd ontwikkeld - FISH staat voor fluorescentie in-situ hybridisatie - waarmee een beperkte chromosoomanalyse gemaakt kan worden van zaadcellen: bij wijze van steekproef worden een drietal chromosomen onderzocht. De test wordt evenwel slechts zelden uitgevoerd, uitsluitend in het kader van onderzoek en op basis van bepaalde indicaties, bv. als er veel abnormale embryo's ontstaan uit de IVF-bevruchting van een paar.

    DNA-onderzoek  

    Moleculaire tests zoeken een niveau dieper, in de DNA-structuur van de chromosomen, naar welke chromosomen een mutatie of deletie van genen vertonen. De vraag hier is dus: waar zit een fout in het recept of waar ontbreekt een stuk informatie? Dat soort onderzoek is maar voor een beperkt aantal chromosomen en genen mogelijk.

    CFTR-gen (mucoviscidosegen)

    Eén op twintig Belgen is drager of draagster van het mucoviscidose- of CFTR-gen (Cystic Fibrosis Transmembrane Regulator gene). Als beide partners drager zijn, heeft de baby 25% kans om mucoviscidose (taaislijmziekte) te ontwikkelen, een ernstige longziekte waarbij abnormaal veel slijm wordt afgescheiden.
    Deze DNA-test wordt uitgevoerd bij mannen van wie een familielid aan mucoviscidose lijdt en bij mannen die azoöspermie vertonen als gevolg van een aangeboren afwezigheid van de zaadleiders. Tachtig procent van hen zijn immers dragers van het mucoviscidosegen.

    Yq-microdeletietest

    Ook deze DNA-est dient om uit te maken of een genetisch defect aan de basis ligt van een te lage productie zaadcellen (minder dan vijf miljoen per milliliter sperma). Op het Y-chromosoom zitten twee types recepten: die om een man tot een man te maken, en - op de q-arm van het chromosoom - die om de zaadproductie te regelen. Bij vijf procent van de mannen die zeer weinig zaadcellen aanmaken, ontbreken één of meerdere recepten op de q-arm van het Y-chromosoom (vandaar de naam van de test). Als een man met dit probleem een zoon krijgt, dan zal die zoon het probleem erven.

    Screening infectieziekten

    Om in onze labo's met gegarandeerd veilig lichaamsmateriaal te kunnen werken, moet de screening op hepatitis B en C, HIV en syfilis om de drie maanden worden herhaald.
    Zijn de resultaten van je testen ouder dan drie maanden of kan je ze ons niet bezorgen, dan moet het infectieonderzoek (opnieuw) gebeuren.


    Routinebloedtest
    Antilichamen tegen spermacellen

    Het immunologisch onderzoek bij de man gebeurt op basis van hetzij een bloedprik (zie praktisch), hetzij een spermastaaltje (zie praktisch).

    Routinebloedtest  

    Naar aanleiding van eerste consultatie in het CRG en vóór je aan een vruchtbaarheidsbehandeling kan beginnen, zal een bloedstaaltje worden afgenomen. Hetzelfde geldt als je bijvoorbeeld spermadonor wil worden.
    Dat bloedstaaltje dient onder andere om een infectie-onderzoek te doen. Je bloed wordt getest op de aanwezigheid van antilichamen tegen het aidsvirus (HIV), geelzucht (Hepatitis B) en Hepatitis C, en tegen syfilis. De aanwezigheid van antistoffen wijst erop dat je hetzij geïnfecteerd bent of geweest bent met de ziekte in kwestie, hetzij ertegen gevaccineerd.
    Bij bepaalde indicaties kan ook worden onderzocht of je niet geïnfecteerd bent met chlamydia, gonorroe of een andere seksueel overdraagbare aandoening (SOA). Vooral chlamydia is daarbij een risico, omdat het de meest voorkomende SOA is in de Benelux bij vrouwen en mannen tussen de 15 en 35 jaar. Vrouwen merken vaak niet dat ze besmet zijn, mannen meestal wel: één tot drie weken na de besmetting krijg je symptomen als pijn of een branderig gevoel bij het plassen, en afscheiding uit de penis.
    Chlamydia en gonorroe zijn goed te behandelen met antibiotica, als de diagnose op tijd wordt gesteld. Als je ze evenwel overdraagt op je partner en de behandeling ervan blijft uit, kan dat ernstige gevolgen hebben voor haar vruchtbaarheid.

    Antilichamen tegen spermacellen   

    Het kan gebeuren dat je als man antilichamen aanmaakt tegen je eigen spermacellen. Met de volgende twee onderzoeken wordt nagegaan of dat het geval is. Soms zijn beide nodig om tot een éénduidig antwoord te komen.

    MAR-test (Mixed Anti-globulin Reactietest)  
    De MAR-test gaat wordt uitgevoerd op een zaadstaal met voldoende beweeglijke zaadcellen en heeft als doel na te gaan of er in het zaadstaal stoffen aanwezig zijn die de zaadcellen doen samenklitten en ze dus onbeweeglijk maken.
    Hij heeft zijn tegenhanger in de TAT-test, die evenwel op een bloedstaaltje wordt uitgevoerd en minder precies is.

    TAT-test (Tray-Agglutinationtest)   
    Zoals in de MAR-test wordt ook hier nagegaan of de man geen antistoffen aanmaakt tegen zijn eigen zaadcellen, maar dan op basis van een bloedanalyse. Dezelfde test wordt gebruikt bij vrouwen (zie aldaar).
    Bij de man gebeurt dit onderzoek standaard als hij een omkeeroperate van een sterilisatie aanvraagt.
    In vijftig procent van de gevallen is de man immers niet opnieuw vruchtbaar na een (geslaagde) omkeeroperatie. Dat komt o.a. doordat het lichaam kennis kan krijgen van al die geproduceerde zaadcellen die het lichaam niet op een natuurlijke manier verlaten. In een poging om die 'lichaamsvreemde' cellen te vernietigen, kunnen de witte bloedcellen antistoffen gaan produceren.
    De TAT-test is niet feilloos en spreekt zich ook niet specifiek uit over de aanwezigheid van antilichamen tegen zaadcellen alleen. Hij levert dan ook vaak vals-positieven op: in bijna dertig procent van de gevallen blijkt de man toch opnieuw vruchtbaar te zijn na een omkeeroperatie, zelfs al was de TAT-test positief.
    Daarom, als de test aantoont dat de man antilichamen aanmaakt, dan wordt die zo mogelijk geverifieerd door een MAR-test, die veel preciezer is.
    Toch gaat voor een eerste screening de voorkeur naar de TAT-test, omdat hij weinig vals-negatieven oplevert. Als de man volgens de TAT-test geen antistoffen aanmaakt tegen zijn zaadcellen, dan is dat doorgaans ook niet zo. De omkeeroperatie kan dan met een betere kans op succes worden uitgevoerd.
    Scrotale echografie
    Transrectale echografie
    Praktisch

    Het onderzoek naar de ware oorzaken van onvruchtbaarheid heeft soms een beetje weg van puzzelen: de artsen brengen alle resultaten samen van de zaadanalyse, het fysieke onderzoek, het hormonale profiel... maar niet altijd vloeit daaruit een duidelijk antwoord voort.
    Onderzoeken met behulp van beeldvorming kunnen dan soms helpen.
    De twee hierna genoemde gebeuren niet in het CRG, maar op de dienst Urologie van UZ Brussel.

    Scrotale echografie 

    Dit onderzoek kan aangewezen zijn bij mannen van wie de zaadbal te laat is ingedaald.
    Via een speciale sonde en met ultrasone golven worden je zaadballen in beeld gebracht, waardoor eventuele verkalkingen of andere anomalieën zichtbaar worden.
    Ook kan via dit onderzoek een duplex doppler gebeuren om spataders op te sporen.

    Transrectale echografie 

    Dit onderzoek wordt soms gevoerd bij azoöspermie (geen zaadcellen in het ejaculaat).
    Soms wijzen de resultaten van andere tests immers op een verstopping ter hoogte van de prostaat of de zaadblaasjes.
    Dat is zo als het hormonaal profiel normaal is (er is dus geen hormonale oorzaak voor de azoöspermie), terwijl de biochemische zaadanalyse aangeeft dat in het zaadvocht de voedingsstoffen ontbreken die je normaal meekrijgt van resp. de zaadblaasjes en de prostaat.
    Via je aars wordt een fijne sonde in het rectum gebracht. Van daaruit wordt met ultrasone golven een beeld verkregen van de omgeving van de prostaat. Daaruit kan bv. blijken dat de prostaat verkalkt is, of dat de zaadblaasjes ontbreken of verstopt zijn.

    Praktisch -  Hoe, wat en waar? 

    • De onderzoeken worden uitgevoerd op de dienst Urologie van UZ Brussel.
    • Je wordt naar de uroloog verwezen door je arts van het CRG.
    • Je brengt je elektronische identiteitskaart mee en de verwijzingsbrief van je arts.
    • Je schrijft je in aan de inschrijvingsbalie Consultaties, UZ Brussel, ingang C, route 744.
    • Op het afgesproken uur ga je naar de dienst Urologie, ingang C, route 80.
    • Beide onderzoeken verlopen ambulant, en
      • hetzij zonder verdoving (transrectale echografie),
      • hetzij onder plaatselijke verdoving (scrotale echografie)
    • De resultaten van het onderzoek worden aan je arts van het CRG bezorgd, en door hem of haar met jou besproken.

    Een beetje anatomie
    Oorzaken van azoöspermie
    Testisbiopsie

    Soms spreken de resultaten van allerlei onderzoeken elkaar tegen. Dan is een kleine chirurgische ingreep soms de enige methode om volledige klaarheid te krijgen over de oorzaak van een probleem. Met de testisbiopsie en de testisaspiratie proberen de artsen uitsluitsel te krijgen over de aanwezigheid van en de hoeveelheid aan (gezonde) zaadcellen in de zaadbal. Dat is waar ze aangemaakt worden en verblijven voor ze ter rijping naar de bijbal gaan.

    Een beetje anatomie  

    Zaadcellen worden in zaadbal (testis) aangemaakt in de zaadvormende buisjes. Dat zijn hoefijzervormige buisjes van 30 tot 150 cm lang, die uit twee soorten cellen bestaan: de zaadvormende cellen en voedende cellen (de Sertolicellen).
    De zaadvormende buisjes zorgen voor de productie van zaadcellen. Daartussen liggen nog de cellen van Leydig, die samen met de twee andere celsoorten instaan voor de productie van mannelijke hormoon.
    Bij een volwassen man bestaat de zaadbal voor 32% uit zaadvormende cellen, voor 17% uit Sertolicellen en voor 3% uit cellen van Leydig. De rest van de massa bestaat uit steunweefsel.
    De Sertolicellen vervullen verschillende belangrijke functies in zowel de aanmaak als de bescherming van de zaadcellen. Ten eerste zijn ze met elkaar verbonden tot een gesloten laag, waardoor ze een barrière vormen tussen de zaadvormende buisjes en de omgeving eromheen. Die bestaat uit zenuwweefsel, lymfevaten en bloedvaatjes. Vooral met het oog op die laatste is de barrière absoluut nodig als bescherming. De spermatozoa die (vanaf de puberteit) gevormd worden, ondergaan namelijk zo'n uitgebreide gedaanteverwisseling dat ze eigenlijk lichaamsvreemd worden. Dankzij de bloed-testisbarrière zal geen afstoting ontstaan door het eigen lichaam.
    Daarnaast dienen de cellen van Sertoli als steun, bescherming en voeding van de zich ontwikkelende zaadcellen, en scheiden ze voortdurend een vocht af dat de volgroeide zaadcellen helpt in hun transport naar de bijbal. Tot slot vervullen de Sertolicellen nog een hormonale functie: ze produceren mee testosteron.

    Oorzaken van azoöspermie  

    Azoöspermie is het ontbreken van zaadcellen in het ejaculaat van de man. Dat kan liggen aan een obstructie onderweg (op het traject van de zaadcellen naar buiten), maar de oorzaak kan ook in de zaadballen zelf gezocht moeten worden. Met een testisbiopsie (zie verder) kan worden onderzocht wat er al dan niet in de zaadbuisjes gebeurt:
    • bij sommige mannen ontbreken de zaadvormende cellen en bestaan de zaadvormende buisjes alleen uit Sertolicellen (Sertoli cell only syndrome);
    • bij andere zullen de zaadvormende cellen in de loop van hun ontwikkelingsproces stilvallen: maturatie-arrest;
    • soms wordt het hele productieproces doorlopen, maar worden er amper zaadcellen afgeleverd (hypospermatogenese); en
    • tot slot kan het hele testisweefsel beschadigd zijn door een infectie of een trauma (sclerose en atrofie)
    Als gevolg hiervan worden er geen zaadcellen gevonden in het spermastaaltje (azoöspermie).
    Gelukkig kunnen bij ongeveer de helft van de mannen toch zaadcellen gevonden worden aan de bron (in de zaadbal), omdat er naast de beschadigde of lege buisjes ook enkele normale kunnen bestaan.

    Testisbiopsie  

    Bij een biopsie nemen we onder plaatselijke of algemene verdoving een stukje weefsel weg uit de zaadbal en sturen dat voor onderzoek naar de patholoog.
    Welk soort verdoving wordt gebruikt hangt zowel samen met je persoonlijke keuze als met medische factoren. Als het bv. nodig om meerdere stukjes weefsel weg te nemen, opteren we doorgaans voor algemene verdoving.
    De test moet uitmaken of de zaadbal (voldoende) gevulde zaadbuisjes bevat en of de productie van de zaadcellen erin naar behoren verloopt.

    Bij azoöspermie geeft het onderzoek definitief uitsluitsel over de ware oorzaak van de afwezigheid van zaadcellen in het ejaculaat:
    • een productiefout in de zaadbal (testiculaire oorzaak), of
    • of een verstopping verderop (post-testiculair).
      In het laatste geval toont het stukje weggenomen weefsel een normale zaadproductie.

    De ingreep wordt niet alleen uitgevoerd om redenen van onderzoek: tegelijk kan op een ander stukje weefsel gezocht worden naar zaadcellen (zie TESE) en, als er gevonden worden, kunnen ze meteen ingebankt worden voor later gebruik.
    Bij ongeveer de helft van de mannen met een abnormale zaadproductie kunnen uit het weefsel zaadcellen geoogst worden, omdat naast de abnormale zaadbuisjes ook nog enkele normale bestaan. Soms is het afnemen van vele stukjes noodzakelijk om de speld in de hooiberg te vinden.