Het praktische verloop van een MBV-behandeling in het CRG van UZ Brussel

Het CRG staat voor patient centered care: aandacht voor (het comfort van) de patiënt.
Om die reden hebben we een kwaliteitskader geschapen, met welomschreven procedures die mee het succes uitmaken van onze behandelingen. Want hoewel medisch begeleide voortplanting (MBV) in de eerste plaats een (gespecialiseerde) medische behandeling is, hangt de slaagkans ervan niet alleen af van onze medische expertise. Een goede organisatie, alerte communicatie en kwalitatieve begeleiding zijn evenzeer cruciale succesfactoren. En ja, zelfs de administratieve omkadering van je behandeling maakt daar deel van uit.

Vragen die patiënten ons vaak stellen

Goede raad vooraf

Wat kan ik zelf doen om mijn behandeling een grotere kans op slagen te geven? Je leest het hier.

En klik op Foliumzuur als je wil weten wat elke vrouw die zwanger wil worden, daarover moet weten.


Is het nuttig dat we onze omgeving inlichten?

Put IVF mijn voorraad eicellen niet voortijdig uit?

Zijn de hormonale behandelingen schadelijk?

Verhoogt een MBV-behandeling de kans op een meerling?
Vermindert IVF het risico op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap?

Zijn de geplaatste embryo's zeker de onze?

Is het gebruik van ingevroren embryo's wel een goed idee?
Wat gebeurt er met ons bewaarde genetisch materiaal?

Vertonen MBV-kinderen vaker afwijkingen?

Kunnen we zelf kiezen of we een meisje of een jongetje krijgen? 

    

Moeten we onze omgeving inlichten over onze vruchtbaarheidsbehandeling?

Het is wenselijk dat je op zijn minst enkele mensen informeert.
Als je, en dit is speciaal tot de vrouw gericht, buitenshuis werkt, kan je best zo vlug mogelijk je werkgever op de hoogte brengen. In de loop van je MBV-behandeling word je verschillende keren in het ziekenhuis verwacht: het is gemakkelijker als je werkgever de ware reden van je afwezigheid kent.
Door een open aanpak zal je vermoedelijk ook op meer begrip kunnen rekenen als je tijdens je werk eens wordt afgeleid door stress of de lichamelijke ongemakken van de behandeling. Het kan een hele steun en opluchting zijn als je van tijd tot tijd met vrienden of familieleden over je ervaringen en gevoelens kan praten.
Wel doe je er goed aan maar een beperkt aantal mensen in te lichten. Anders krijg je voortdurend vragen over het vorderen van de behandeling, wat tot pijnlijke situaties kan leiden als zwanger worden niet meteen lukt. Zowel professioneel als privé heb je aan één of enkele vertrouwenspersonen al genoeg.
Je durft anderen niet zeggen dat je een vruchtbaarheidsprobleem hebt? Ten onrechte. Bij tien tot twintig procent van alle paren gaat het krijgen van een kind niet vanzelf. Maar als de drempel om er met je omgeving over te spreken toch te hoog is, kan je voor ondersteuning altijd terecht bij je counselor in het CRG.  

        

Tast stimulatie van de eierstokken mijn eicelvoorraad aan, waardoor vroegtijdige menopauze kan optreden?

Beslist niet. Tijdens de stimulatie worden soms tien of meer follikels tegelijk tot ontwikkeling gebracht, maar tijdens een natuurlijke cyclus ook. Het enige verschil is dat bij een natuurlijke cyclus al die follikels op één of twee na afsterven, terwijl ze bij IVF stuk voor stuk tot rijping kunnen komen. De stimulatie van de eierstokken redt dus veeleer eicellen dan dat ze er verloren doet gaan.
Overigens beschikt een vrouw aan het begin van haar vruchtbare jaren gemiddeld over 400.000 eicellen, waarvan de meeste in de loop van de tijd spontaan afsterven. Bij de stimulatie wordt dus geput uit een grote eicelreserve die bijna geheel tot ongebruikt verdwijnen is voorbestemd. 

         

Zijn de hormoonbehandelingen schadelijk?

De toegediende hormonen kunnen bijwerkingen veroorzaken, dat wel. Maar gelukkig zijn die doorgaans niet gevaarlijk en slechts van tijdelijke aard. Alleen als zich OHSS voordoet - het ovarieel hyperstimulatiesyndroom - kan een medische interventie noodzakelijk zijn.
Dat de bij IVF gebruikte hormonen kankerverwekkend zouden zijn of andere schadelijke gevolgen zouden hebben, zijn beweringen die niet op bewezen medische gegevens berusten.
Overigens werden de hormonen in kwestie lang vóór de introductie van IVF en op grote schaal toegediend aan vrouwen met vruchtbaarheidsproblemen, zonder dat ooit schadelijke effecten werden vastgesteld.
Toch wordt wereldwijd de invloed van de hormoonbehandelingen nog verder onderzocht. Voor alle veiligheid, zeg maar.

            

    Is er bij IVF minder kans op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap dan bij een spontane zwangerschap?

    Voor een vrouw die op de natuurlijke manier zwanger raakt, bedraagt de kans op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap één procent. Voor een vrouw die zwanger wordt via IVF is die kans niet groter, tenzij ze een beschadiging heeft aan de eileider(s).
    Dat de IVF-behandeling op zich toch tot een buitenbaarmoederlijke zwangerschap kan leiden, hoeft geen verwondering te wekken. Hoewel bij de transfer de embryo's zorgvuldig in de baarmoeder worden geplaatst, zullen ze zich niet meteen aan de baarmoederwand hechten. Dat verklaart waarom ze soms toch nog migreren naar de eileider en daar tot ontwikkeling komen. De zwangerschap moet in dat geval worden onderbroken (zie onderbreking buitenbaarmoederlijke zwangerschap).  

           

    Hoe weten we zeker dat het embryo/de embryo's die teruggeplaatst worden in de baarmoeder de onze zijn?

    Het CRG hanteert strenge en betrouwbare procedures voor de identificatie van eicellen, zaadcellen en embryo's.
    Zie daarvoor het hoofdstuk over kwaliteitszorg in het CRG en meer bepaald de informatie over IVF Witness.
    Kort samengevat: met dit systeem zijn vergissingen, lees 'verwisselingen', eigenlijk uitgesloten.   
            

    Is het invriezen van embryo's voor later gebruik wel verstandig?

    De Belgische wet op MBV bepaalt dat je vóór het begin van je behandeling een  bestemming moet geven aan eventuele 'boventallige' embryo's, d.w.z. embryo's die uit je behandeling ontstaan maar die je (in deze MBV-cyclus) niet nodig hebt voor terugplaatsing.
    In het contract "Bestemming van boventallige embryo's" beslis je of je ze laat invriezen of niet.
    Doe je dat wel, dan zegt de wet dat je een volgende IVF-poging er één moet zijn met ingevroren/gedooide embryo's. Dat noemen we een FRET (Frozen Embryo Transfer).

    Maar is dat wel een goede zaak voor jou als patiënt? Het antwoord is eenvoudig: ja
    • FRET is minder belastend als MBV-behandeling dan IVF
      • er is geen hormonale stimulatie van de eierstokken nodig, en
      • je hoeft geen eicelpunctie te ondergaan;
    • de kans op innesteling van het embryo is doorgaans even groot als bij een verse poging; en
    • voor Belgische patiënten die recht hebben op de terugbetailng van hun behandeling door de mutualiteit, zijn dit extra pogingen. De terugbetaling geldt namelijk voor (maximum) zes pogingen met vers materiaal.
    • Wel is het zo dat niet alle embryo's het invriezen - of beter het dooien - overleven.
      Je moet dus een zeker aantal embryo's over hebben om een redelijke kans te hebben dat je volgende poging met gedooide embryo's kan verlopen.
    • Tot nog toe blijkt uit geen enkel onderzoek dat uit ingevroren embryo's meer baby's met afwijkingen voortkomen.

    Er is wel een moreel aspect waar je van tevoren over moet nadenken.
    In het contract “Bestemming van boventallige embryo’s” beslis je namelijk ook wat er met de ingebankte embryo’s moet gebeuren als je ze zelf (definitief) niet meer nodig hebt:
    • donatie aan andere wensouders (niet in elke situatie);
    • afstand voor wetenschappelijk onderzoek (met mogelijkheid tot opgave van welke onderzoeken je niet wenst); of
    • vernietiging.
    Het is niet ondenkbaar dat je later moreel moeite krijgt met een van de gekozen opties. Het is echter mogelijk om achteraf je beslissing te herzien zo lang de bewaartermijn loopt. Maar beslissen om niét te laten invriezen, dat kan je natuurlijk niet meer.
    Zie ook de volgende vraag: wat gebeurt er met ons ingebankte materiaal als onze levensomstandigheden wijzigen?
                   

    Wat gebeurt er met ons ingebankte materiaal als onze levensomstandigheden wijzigen?

    Aan het begin van de vruchtbaarheidsbehandeling ondertekent elke patiënt van het CRG waarin hij of zij beslist/beslissen wat er met het ingevroren genetisch materiaal moet gebeuren na afloop van de bewaring:
    • als man beslis je over wat er met eventueel ingevroren sperma of testisweefsel moet gebeuren.
    • als vrouw doe je hetzelfde voor eicellen of ovarieel weefsel; en
    • als paar (of alleenstaande wensmoeder) moet je een bestemming geven aan boventallige embryo's.
    Je kan drie bestemmingen geven:
    • donatie aan andere wensouders (niet in elke situatie),
    • afstand voor wetenschappelijk onderzoek (met mogelijkheid tot aanduiding van de onderzoeken je niet uitgevoerd wil zien op jouw materiaal), of
    • vernietiging.
    Je beslissing geldt voor de volgende situaties:
    • als de wettelijke bewaartermijn is verstreken of als je de bewaring zelf wil stopzetten;
    • als je overlijdt;
    • als je definitief niet meer in staat bent om een beslissing te nemen; of
    • als je zou scheiden van de partner met wie je samen beslist hebt om embryo's in te banken.
      Geen van beide partners kan immers aanspraak maken op deze boventallige embryo's voor een eventuele behandeling met een nieuwe partner.
    Zo lang de afgesproken bewaartijd loopt kunnen jullie jullie beslissing herzien, maar dan wel eensgezind: elke herziening moet door beide oorspronkelijke partners ondertekend zijn.
                

    Komen afwijkingen meer voor bij IVF-kinderen dan bij gewone kinderen?

    De kinderen die door MBV in het CRG van UZ Brussel zijn verwekt, worden door het Centrum voor Medische Genetica (CMG)  onderzocht als ze twee maanden en één jaar oud zijn. Bij PGD - met genetisch onderzoek van de embryo's voor ze teruggeplaatst worden, komt daar nog een onderzoek bij op twee jaar.  
    Bij ongeveer drie procent van de MBV-kinderen worden afwijkingen vastgesteld. Dat percentage correspondeert niet alleen met dat van andere IVF-centra, maar ook met het percentage afwijkingen bij kinderen die op een natuurlijke manier zijn verwekt. Niets wijst dus op een verhoogd risico.
    Toch blijven we voortdurend (nieuw en repetitief) onderzoek voeren. In het bijzonder bij de ingebruikname van nieuwe technieken volgen we de MBV-kinderen die daaruit geboren worden, steeds strikt op.
    Wereldwijd strekt het onderzoek zich intussen trouwens uit over verschillende generaties: sommige studies focussen op de nakomelingen van (volwassen geworden) MBV-kinderen.  
             

    Kunnen we zelf kiezen of we een zoontje of een dochtertje krijgen?

    Tegenwoordig kan het geslacht van de IVF-embryo's worden bepaald vóór ze in de baarmoeder worden geplaatst. Een selectie op basis van het geslacht gebeurt echter uitsluitend als daar goede medische redenen voor bestaan, d.w.z. om het risico op een erfelijke aandoening te vermijden die aan het geslacht van de baby gebonden is.
    Met een louter persoonlijke voorkeur kunnen we om ethische redenen geen rekening houden. De geslachtsbepaling van embryo's zonder genetische indicatie is in België trouwens verboden.
    De theorie
    Waarom niet?
    De medische praktijk
         
    Het antwoord op de vraag is eenvoudig: nee, het risico is zeer beperkt.
    En wel omdat we er in de praktijk alles aan doen om het te vermijden.
    Bij IVF|ICSI heeft de Belgische wetgever trouwens het aantal embryo's dat teruggeplaatst mag worden, afhankelijk gemaakt:
    • van de leeftijd van de vrouw, en
    • van het aantal behandelingen dat ze al achter de rug heeft.

    Die wettelijke regeling geldt niet alleen voor Belgische vrouwen die aanspraak willen maken op de terugbetaling van hun behandeling door de mutualiteit, maar in het algemeen, voor alle vrouwen die in België een IVF-behandeling ondergaan.

    De theorie  

    De verhoogde kans op een meerlingzwangerschap is een mogelijke en ongewenste bijwerking van de hormonale stimulatie van de eierstokken. Doordat meerdere eicellen tegelijk tot rijping komen, kunnen er ook meerdere bevrucht worden.
    De kans op een meerlingzwangerschap hangt in principe met twee factoren samen:
    • met de gebruikte medicatie
      • bij toediening van FSH en LH (of de synthetische variant rec-FSH) kon (in het verleden) de kans op een tweeling oplopen tot 25 procent. De gonadotrofines werken immers rechtstreeks in op de geslachtsorganen en zetten de eierstokken aan tot de ontwikkeling van meerdere eicellen tegelijk;
      • een 'lichtere' stimulatiekuur - die vooral wordt gebruikt bij coïtustiming en kunstmatige inseminatie - bestaat doorgaans uit de inname van clomifeencitraat, een anti-oestrogeen. Deze methode geeft een risico tot tien procent op een tweeling. 
    • en met het aantal embryo's dat teruggeplaatst wordt bij IVF|ICSI.
      Bij vrouwen jonger dan 37 jaar die door IVF zwanger worden:
      • bedraagt de kans op een tweeling bijna dertig procent als er twee embryo's in de baarmoeder worden teruggeplaatst, en
      • en bijna veertig procent als er drie embryo's teruggeplaatst.
      • In het laatste geval is er ook vijf procent kans op een drieling.

    Waarom niet? 

    Door een meerlingzwangerschap neemt het risico toe op een miskraam, een vroegtijdige bevalling, een te laag geboortegewicht en andere problemen. Bij een drieling zijn de risico's zo reëel dat in het verleden geregeld werd overgegaan tot een selectieve embryoreductie, d.w.z. het terugbrengen het aantal ingenestelde embryo's van drie naar twee.
    Het hogere aantal twee- en drielingen verklaart eveneens waarom de perinatale sterfte - het aantal kinderen dat sterft tussen de 28ste week van de zwangerschap en de zevende dag na de geboorte - bij IVF duidelijk boven het gemiddelde lag. Die grotere perinatale sterfte had dus niets te maken met de bevruchting in het laboratorium.

    Daarom, in de medische praktijk 

    Vanuit die belangrijke gezondheidsoverwegingen heeft het CRG er altijd naar gestreefd om meerlingzwangerschappen zoveel mogelijk te vermijden.
    Bij kunstmatige inseminatie en coïtustiming controleren we via een echografie of er niet meer dan drie rijpe follikels (>17 mm doorsnee) te zien zijn. Is dat wel zo, dan wordt de volgende keuze voorgesteld:
    • stopzetting van de behandeling;
    • het aanprikken van een aantal follikels zodat er slechts één, maximum twee overblijven en daarna inseminatie; 
    • de overschakeling naar IVF|ICSI, al dan niet in combinatie met de vitrificatie van de eicellen:
      • ofwel worden de rijpe eicellen verzameld via een ovariële punctie en in het laboratorium bevrucht met zaadcellen van je partner of van een donor;
      • ofwel worden de rijpe eicellen verzameld via een ovariële punctie en vervolgens ingevroren om ze in een later stadium te dooien en in vitro te bevruchten.
    Bij IVF|ICSI is er zoals gezegd een wettelijke regeling over het aantal embryo's dat teruggeplaatst mag worden:
    • bij vrouwen onder de 36 jaar wordt slechts één embryo teruggeplaatst bij de eerste en de tweede behandeling.
      Slechts in uitzonderlijke gevallen mogen het er twee zijn bij de tweede poging.
      Bij de derde en verdere pogingen maximum twee;
    • vanaf 36 jaar mogen twee embryo's teruggeplaatst worden bij poging één en twee; en drie vanaf poging drie;
    • vanaf 40 jaar geldt geen beperking voor het aantal terug te plaatsen embryo's. Het aantal wordt bepaald in samenspraak tussen jullie en je arts.