De seksuele cyclus bij de vrouw
| Om te begrijpen waarom een vrouw al dan niet zwanger kan worden of blijven, moeten we weten hoe ze hormonaal functioneert, hoe haar geslachtsorganen in elkaar zitten en of die geen afwijkingen vertonen. Met dat laatste is vooral de gynaecologie bezig. Maar het is vooral dankzij onze kennis over de hormonale huishouding dat de vruchtbaarheidsgeneeskunde erin slaagt veel vrouwen te helpen die vroeger geen kinderen zouden hebben kunnen krijgen. |
De vrouw hormonaal
De vruchtbaarheid van de vrouw wordt door dezelfde hormonen geregeld als de zaadproductie bij de man.
De hypothalamus scheidt heel regelmatig (om de 60 tot 90 minuten) het kleine hormoon GnRH (gonadotrofine releasing hormone) af. Dat zorgt voor de vrijmaking (releasing) van de gonadotrofines FSH en LH. Dat laatste gebeurt door de hypofyse, een kleine klier net onder de hypothalamus, en wel als vanuit de geslachtsorganen het signaal is gekomen dat dat nodig is (laag oestrogenenpeil, zie verderop).
Het grote verschil tussen vrouw en man zit in het feit dat het hormonale proces bij de vrouw een vooraf bepaald, cyclisch patroon volgt. Zij hoeft - in tegenstelling tot de man - geen voortplantingscellen meer aan te maken, wel moet ze uit de aanwezige voorraad eicellen er eentje laten rijpen en vrij laten komen, opdat het bevrucht zou kunnen worden.
De voorraad eicellen
Als vrouw word je normaliter geboren met een voorraad van naar schatting 300.000 à 400.000 eicellen, die verdeeld over de beide eierstokken zijn opgeslagen in 'slapende' follikels. De eicel is daarbij omringd door voedende cellen, de granulosacellen.
Tijdens je leven maak je geen nieuwe eicellen meer aan. Integendeel, er voltrekt zich een natuurlijk verschijnsel van afsterving, waardoor het aantal eicellen in de puberteit naar schatting nog 100 à 200.000 bedraagt. Omstreeks het vijftigste levensjaar zijn er geen uitrijpbare eicellen over en treedt de menopauze in.
Normaal wordt in de vruchtbare jaren om de vier weken één rijpe eicel door een eierstok afgescheiden (de eisprong). Tijdens het rijpingsproces worden telkens verschillende eicellen opgebruikt, waarvan slechts één verder rijpt.
De menstruatiecyclus
Zowel vóór je puberteit als in je vruchtbare jaren gaan eicellen op een natuurlijke manier verloren. Dat gebeurt zelfs tijdens een zwangerschap en bij gebruik van de anticonceptiepil! In tegenstelling tot wat soms wordt gedacht, gaan bij een vruchtbaarheidsbehandeling niet méér eicellen verloren dan tijdens de natuurlijke cyclus. Integendeel: de hormonale stimulatie beperkt het verlies aan eicellen dat normaal gezien optreedt bij het uitrijpen en doet meer eicellen de cyclus overleven. |
In theorie duurt de menstruatiecyclus vier weken. In de praktijk varieert de duur van vrouw tot vrouw en van cyclus tot cyclus. Hij begint met de rijping van een eicel en mondt uit in de maand-stonden (menstruatie) of in een zwangerschap.
De rijpe eicel wordt door de vingerachtige uitsteeksels van één eileider opgepikt, waar ze door een zaadcel kan worden bevrucht. De trilhaartjes die de wand van de eileider bekleden, borstelen de al dan niet bevruchte eicel voorzichtig naar de baarmoeder.
Die heeft zich tegen die tijd helemaal voorbereid op de komst van een embryo, dat zich in de baarmoeder kan nestelen om er uit te groeien tot een baby.
Als de eicel niet bevrucht is, of als de innesteling niet lukt, krijgt de vrouw haar maandstonden. Via de vagina ontdoet de baarmoeder zich dan van het slijmvlies dat ze met het oog op een mogelijke zwangerschap had opgebouwd.
In het schema hieronder zien we de samenhang in de menstruatiecyclus tussen de rijping van de eicel (bovenaan), de evolutie in de hormonale waarden (midden) en de opbouw van het baarmoederslijmvlies (onderaan). We onderscheiden twee fasen.
|
Schematische voorstelling van de menstruatiecyclus |
|
Een eicel uit de voorraad, omringd door voedende granulosacellen. |
Van dag 1 tot de eisprong
(folliculaire fase)
De menstruatiecyclus wordt op gang gebracht door een laag oestrogenenpeil. De geringe hoeveelheid vrouwelijke geslachtshormonen in het bloed zet de hypothalamus ertoe aan om (sneller) GnRH af te scheiden. Hierdoor gaat de hypofyse de twee gonadotrofines FSH en LH produceren.
Onder invloed van FSH (follikel stimulerend hormoon) komen in de eierstokken verscheidene follikels tot ontwikkeling. Een follikel is een vochtblaasje waarin zich een eicel bevindt. Zo'n follikel scheidt oestrogenen af, en die maken het slijmvlies van de baarmoeder dikker, in afwachting van de mogelijke innesteling van een embryo. De follikels zorgen er dus voor dat het oestrogenenpeil stijgt, hét signaal voor de hypothalamus om de afscheiding van GnRH wat trager te laten verlopen.
Daardoor daalt ook de productie van FSH, en dat maakt dat de follikels zich niet verder kunnen ontwikkelen en afsterven. Niettemin is er altijd één dominante follikel, die zich zo heeft aangepast dat hij aan het lage FSH-gehalte genoeg heeft om te blijven doorgroeien. Onder invloed van FSH en LH (luteïniserend of rijpingshormoon) komt de eicel in de overblijvende follikel tot rijping.
Wanneer het oestrogenenpeil een voldoende hoge waarde bereikt, tekent zich plots een piek af in de productie van LH. Hiermee is de rijping van de eicel voltooid en kan de eisprong plaatsvinden. Tussen de LH-piek en de eisprong verlopen 36 tot 42 uur. De LH-piek situeert zich doorgaans rond dag twaalf, de eisprong rond dag veertien van een normale menstruatiecyclus.
|
| Van follikel naar geel lichaampje |
Van de eisprong tot dag 28
(luteale fase)
Na de eisprong vat de rijpe eicel de tocht aan door de eileider naar de baar-moeder. Intussen verandert in de eierstok de achtergebleven, lege follikel in een geelachtige structuur, het corpus luteum of gele lichaampje. Die structuur produceert net als de follikel oestrogenen, maar scheidt daarnaast nog een ander hormoon af, progesteron. Samen bevorderen deze hormonen de opbouw van het slijmvlies van de baarmoeder en onderdrukken ze de productie van FSH en LH door de hypofyse.
Maandstonden
Als de eicel niet bevrucht werd (of de bevruchte eicel zich niet in de baarmoeder nestelt), begint het corpus luteum een tiental dagen na de eisprong weg te kwijnen. Het oestrogenen- en progesteronpeil zakt hierdoor gevoelig, wat omstreeks dag 28 van de menstruatiecyclus tot de afbraak van het baarmoederslijmvlies leidt. De vrouw krijgt haar maandstonden en de productie van FSH en LH door de hypofyse start van voren af aan.
De eerste dag van de maandstonden is dus meteen de eerste dag van een nieuwe cyclus.
Voor de timing van de IVF-behandeling wordt daarom telkens gerefereerd naar de dag waarop de vrouw 's ochtends opstaat met rood bloedverlies (= dag 1).
Natuurlijke bevruchting
Een eicel is met haar 0,2 mm de grootste lichaamscel die bestaat, zaadcellen behoren tot de kleinste. Eén zo'n zaadcel moeten de eicel op het juiste ogenblik treffen, willen we over nieuw leven kunnen spreken.
- Na de eisprong is de eicel zowat één dag bevruchtbaar. Sperma behoudt tot ongeveer twee dagen na de zaadlozing zijn vermogen tot bevruchten.
- Eventuele bevruchting vindt plaats in de eileider. Terwijl de eicel aan haar afdaling naar de baarmoeder begint, trekken na een coïtus miljoenen zaadcellen via de vagina in de omgekeerde richting.
Maar semen dat in de vagina terechtkomt, ondergaat in minder dan een half uur een drastische gedaanteverwisseling: van dik en kleverig wordt het dun en vloeibaar. De meeste zaadcellen vloeien dan ook gewoon weg uit de vagina of raken niet voorbij het slijm van de baarmoederhals. Hooguit enkele honderden - goed beweeglijke en mooi gevormde - weten via de baarmoeder op te klimmen tot één van de eileiders. Als daar een eicel aanwezig is, bestaat de kans dat die wordt bevrucht - en dat door één enkele zaadcel. Je kan het vergelijken met de beklimming van de Mont Ventoux: alleen de vedetten van het peleton halen de eindstreep op de top. - Het prille embryo dat ontstaat ondergaat achtereenvolgens verschillende delingen en wordt een blastocyst (meercellig embryo met vochtholte). Over een periode van vijf à zes dagen wordt het naar de baarmoederholte getransporteerd.
Innesteling
In de baarmoeder moet zich een herkenningsproces voltrekken tussen het baarmoederslijmvlies en het embryo. Als dat gebeurt zal het embryo zich innestelen en hCG beginnen af te scheiden. Het hCG-hormoon zorgt ervoor dat het corpus luteum intact blijft en verder oestrogenen en progesteron blijft afscheiden. In de prille zwangerschap vormt die hormonale samenwerking de basis voor de verdere ontwikkeling van het embryo.
Al snel wordt de productie van hCG in hoofdzaak geleverd door de placenta, dat deel van het embryo dat zorgt voor de voedingsuitwisseling met de moeder. De aanwezigheid ervan kan dan gemeten worden in het bloed (of de urine) van de vrouw, en maakt daardoor de diagnose van zwangerschap mogelijk. Verder neemt de placenta (of moederkoek) ook de productie van oestrogenen en progesteron voor haar rekening. Tegen die tijd (einde van het eerste trimester) is de ontwikkeling van de zwangerschap een volledig autonoom proces geworden.