Je slaagkans op een kind na IVF-ICSI

Je slaagkans op een kind na een IVF/ICSI-behandeling hangt af van verschillende factoren. De belangrijkste vaststelling uit de praktijk is dat je individuele slaagkans vooraf moeilijk in te schatten is. Toch zullen de artsen van het CRG altijd proberen om een zo accuraat mogelijke inschatting te maken.

In het algemeen kunnen we alleen zeggen dat IVF voor heel wat paren het proberen zeker waard is, maar niet altijd leidt tot de geboorte van een kind.
Succes kan niet worden gegarandeerd

Verschillen tussen centra

Uiteraard bestaan er ook verschillen in slaagkans tussen de verschillende behandelingscentra (in België en daarbuiten).
Zo toont de Belgische rapportering voor 2012 een variatie in slaagkans tussen de Belgische centra van 16% tot 39% per opgestarte IVF/ICSI-behandeling in de zogenaamde referentiegroep – d.w.z. bij vrouwen jonger dan 36 jaar die een eerste of een tweede IVF-behandeling ondergaan.

Expertise en kwaliteit

Die verschillen kunnen zowel te maken hebben met expertise als met de kwaliteit van de behandeling. Hoewel dat moeilijk aantoonbaar is, leiden investeringen in kwaliteitsbeheer meestal tot een betere slaagkans.

Selectie van patiënten

Ook wat betreft de selectie van patiënten hanteert niet elk centrum dezelfde normen. Sommige centra zullen patiënten met een bepaald medisch profiel niet opnemen voor behandeling of doorverwijzen. En zoals we hiervoor zagen is je medisch profiel – naast je leeftijd en het aantal IVF/ICSI-pogingen - een belangrijke indicator voor je uiteindelijke slaagkans.

Meting en interpretatie

Veel centra drukken hun slaagkans uit als ‘kans op zwangerschap’ of ‘kans op doorgaande zwangerschap’. Dat betekent dat bv. miskramen niet altijd mee verrekend worden en de cijfers dus mooier ogen.
Verder wordt de slaagkans soms uitgedrukt ‘per embryotransfer’. Ook dat geeft een geflatteerd beeld van de kans op succes, omdat patiënten die geen transfer kregen – maar wel een behandelingscyclus waren gestart – niet meegerekend worden. M.a.w. patiënten met een slechtere prognose – bv. omwille van een laag aantal eicellen de eicelpunctie, het uitblijven van de bevruchting, een slechte embryo-ontwikkeling – zijn niet zichtbaar in de cijfers

Om die reden werkt het CRG met een cumulatieve weergave van de slaagkans: d.w.z. de slaagkans per behandelingscyclus en over de cycli heen. Dat levert een eerlijker inschatting op van de slaagkans, omdat er enerzijds geen selectie gebeurt van patiënten met een beter medisch profiel en anderzijds het effect van het aantal pogingen mee ingecalculeerd wordt.